CellariusHoroscope
NLNederlands

Stuurlieden en rekenmeesters van Noord-Holland

Reynier Pietersz. van Twisch en het “gulden kompas”

Een stuurman die in Hoorn woonde (de navigator van het schip, die koers en positie bepaalde met metingen van de zon en de sterren) kreeg in 1595 octrooi op een instrument om op zee de hoogte van zon en sterren te meten, en in 1597 op het instrument dat hij het “gulden kompas” noemde. Deze pagina zet bij elkaar wat vier bronnen over hem zeggen, bewering voor bewering.

Wat de bronnen zeggen

  • Reynier (Rienier) Pietersz. van Twisch was een stuurman die in Hoorn woonde, na vele jaren op zee. In het octrooi van de Staten-Generaal van 1597 heet hij “stierman, woonende binnen Hoorn”. [1], [2], [3], [7]
  • Busken Huet schrijft, naar de gedenkschriften van de jonge Steven van der Haghen (de Avonturen), dat Van der Haghen in 1584 of 1585 te Calais een schipper uit Hoorn ontmoette: Reynier Pietersz. van Twisch, die voer voor rekening van Hoornse reders, zijn stadgenoten, en bekendstond om buitengewone stuurmansbekwaamheden. Van Twisch nam hem mee naar Hoorn, stelde hem aan de reders voor en kreeg hem benoemd tot commies aan boord van de Witte Leeuw, waarmee Van Twisch naar Genua zou varen. [4]
  • Op 12 juli 1595 verleenden de Staten van Holland hem octrooi voor twaalf jaar op een instrument om op zee nauwkeurig de hoogte van de sterren en de zon te meten (en, apart, een voor een werktuig voor bakkers). Op 5 maart 1597 werd een commissie benoemd om het te onderzoeken; Lucas Wagenaar was een van de leden. [3]
  • Begin 1597 vroeg hij de Staten-Generaal om octrooi op twee instrumenten: een voor de afwijking van het kompas en de lengte met waarnemingen van de zon, en een voor de breedte met de zon of de sterren als de horizon niet te zien is. [2]
  • Op 8 maart 1597 verleenden de Staten-Generaal hem octrooi voor twaalf jaar, alleen in de Verenigde Nederlanden. Het woordenboek van 1912 geeft het octrooi weer als voor een werktuig “om bij metinge der sonne te connen weten het affwijcken der naelde, als oock die longitudo”. De gedrukte samenvatting van het verzoek bij De Jonge zegt dat hij zes jaar vroeg; de resolutie zelf, zoals getranscribeerd, verleent twaalf. [2], [3], [7]
  • Dat tweede instrument, dat de uitvinder “Gulden compas” noemde, was een azimutkompas dat drijvend horizontaal werd gehouden, met een kwadrant op het kompas “in forme van dubbelt quadrant”. Zonlicht viel door een vizier op een cirkelvormige schaalverdeling en moest, met de als constant gedachte miswijzing van de naald, aanwijzen hoe ver men ten oosten of westen was. [3]
  • Op 13 maart 1598 werd de Staten van Holland gevraagd mee te betalen aan het bouwen van de instrumenten; een ervan heet een “dubbelt quadrant”. Zij wezen Scaliger, Snellius, Stevin en Ludolph van Ceulen aan, samen met gedeputeerden van Amsterdam, Rotterdam, Hoorn en Enkhuizen, om ze te bekijken. De transcriptie noemt geen uitkomst. Een noot van de bezorger zegt dat het instrument is afgebeeld in Stevins Havenvinding. [2]
  • In de Latijnse uitgave van de Havenvinding (Limeneuretikē, Leiden 1599) is het instrument op gedrukte bladzijde 18 en 19 een kwadrant dat rechtop staat op een horizontale cirkel van 360 graden, met een magneetnaald in een afgesloten glazen doos. De tekst zegt dat het gemaakt is “naar de vinding van Reginaldus Petraeus”, wat wij lezen als Reynier Pietersz.; het hangt aan twee assen op de manier van scheepskompassen (zo zegt de Nederlandse tekst van de Havenvinding; het Latijn zegt “ad instar Haloscopii”), met een gewicht van 25 of 30 pond eronder, zodat de cirkel waterpas blijft als het schip beweegt. Gedrukte bladzijde 19 toont het in een tekening over de hele pagina; onze eigen tekening ernaar staat hieronder. [5], [6]
  • Stevin beschreef en beeldde het instrument af in zijn Havenvinding (1599). Van Twisch had het zelf beproefd op een rondreis door Holland, Utrecht en Friesland; in Enkhuizen kreeg het de goedkeuring van J.H. van Linschoten, en verscheidene zeevaarders vonden het op reizen naar de kust van Guinea en naar Oost- en West-Indië zonder misslag. Volgens De Jonge (Opkomst I, blz. 85, een passage die ook Busken Huet in een voetnoot aanhaalt) lijkt de Havenvinding eigenlijk een verslag lijkt te zijn, op last van prins Maurits door Stevin opgesteld, van de denkbeelden van Reynier Pietersz. en Petrus Plancius om de lengte te vinden uit de miswijzing van het kompas. [3], [4], [7]
  • Albert Hayen bestreed de denkbeelden om praktische redenen in een Corte onderrichtinge (Amsterdam 1600). Een aanbod van 5000 gulden en daarna een pensioen van 1000 gulden per jaar van de Staten-Generaal werd door de uitvinder afgeslagen. Het jaar is 1600 volgens de titelpagina (zoals Naber die geeft; wij zagen de titelpagina zelf niet) en volgens de ADCS en een pamflettencatalogus van 1866 (“int Gulden Iubile laar 1600”); het woordenboek van 1912 en De Grijs (2021) zeggen 1599. [3], [8]
  • Omstreeks 1598, zegt het woordenboek van Van der Aa, kwam hij op het denkbeeld om oostelijke en westelijke afstanden in graden en minuten uit te drukken, zoals dat voor zuid en noord al gebeurde. Hij maakte “een iets van zijn maaksel”, dat hij het gulden kompas noemde. Het werd op onderscheidene reizen met goed gevolg gebruikt en zonder misslag bevonden. [1]
  • In oktober 1600, toen de Staten zochten naar een manier om op zee de lengte te vinden, moest Jacob van Straten de vinding van Van Twisch samen met zijn eigen vinding naar Den Haag brengen. [2]
  • Op 19 juli 1603 volgden twee octrooien voor vindingen aan scheepszeilen; volgens de noot van de bezorger ging het niet om een kompas. [2]
  • Op 3 september 1611 diende hij samen met Gerrit Pieters opnieuw een verzoekschrift in bij de Staten-Generaal, en weer werd een commissie van onderzoek besloten. Hij wordt beschreven als oud en van geringe middelen, zelfs als tot armoede vervallen. Hij overleed in 1613 in Hoorn. [1], [3]
30405060708090807060504030304050607080908070605040301020304050607080ABCDEFGH
Getekend naar Stevin/Grotius, Limeneuretikē (Leiden 1599), p. 19.

Letters in de tekening

A B C
De drie hoeken van het kwadrant van een cirkel. Volgens de tekst staat het haaks op de horizontale cirkel.
B D C E
De horizontale cirkel, verdeeld in 360 graden. Hij geeft het horizontale vlak aan. In de tekening ligt D vooraan en E achteraan.
F
Het middelpunt van die cirkel. Het kwadrant kan eromheen draaien.
G
In de tekst alleen genoemd voor de steun die van G naar D en E loopt, aan het kwadrant vastgemaakt zodat het ermee draait. De tekening laat die steun niet duidelijk zien.
H
Het gewicht van 25 of 30 pond dat eronder is vastgemaakt, zodat de cirkel zekerder waterpas blijft. Het is getekend als een stippellijn.

Zonder letter in de tekening: de graden op de boog van het kwadrant (0 tot 90); de schuine liniaal die om B draait (onze lezing: wat de tekst de alidade noemt, die hoger of lager gedraaid kan worden); en de donkere wijzer (onze lezing: de magneetnaald, die volgens de tekst in een glas in de cirkel ligt). De tekst zegt ook dat het hele toestel aan twee assen hangt op de manier van scheepskompassen (de Nederlandse tekst; het Latijn zegt “ad instar Haloscopii”); de tekening laat de assen niet zien. De trommel onder de cirkel is getekend, maar niet uitgelegd in de tekst die we lazen. “Reginaldus Petraeus” is in onze lezing Reynier Pietersz.

Wat we niet weten

  • Hoe het gulden kompas er precies uitzag: we lazen bladzijde 18 en 19 van Stevins Latijnse uitgave (1599) in een scan, als beeld, en slechts één lezer deed dat. We tonen de scan niet: die mag alleen niet-commercieel worden gebruikt en moet zijn watermerk houden, en een scan die we wel mogen gebruiken vonden we niet. Onder de lijst met beweringen staat onze eigen lijntekening naar bladzijde 19, met de letters van het origineel. Er is geen tekening van Van Twisch zelf gevonden.
  • Welke schepen en jaren de reizen betroffen: het woordenboek van Van der Aa noemt er geen, en het woordenboek van 1912 noemt alleen de kust van Guinea en Oost- en West-Indië.
  • Hoe de onderzoeken van 1598 en 1611 afliepen: de transcriptie noemt geen uitkomst, en het woordenboek van 1912 zegt alleen dat commissies werden besloten.
  • Het jaar van de vaart op Genua: Busken Huet zegt 1584 of 1585. Een lijst die we kregen noemde 1586, naar Kernkamp; Kernkamp vonden we niet, en de gedenkschriften van Van der Haghen zelf lazen we niet. Het verhaal rust op Busken Huet alleen.
  • Hoe het instrument waterpas werd gehouden: het woordenboek van 1912 zegt dat het “drijvende horizontaal werd gehouden”; Stevins Latijnse tekst van 1599 zegt dat het aan twee assen hing met een gewicht. We weten niet of dit twee beschrijvingen van één instrument zijn of twee uitvoeringen. Beide beschrijven een kwadrant dat boven een horizontale kompascirkel is geplaatst.
  • Een resolutie van 26 juni 1598 wordt genoemd in een noot van de bezorger bij de transcriptie van de resoluties van de Staten, maar ze gaat over Petrus Plancius en Mathys Syvertsz. en noemt Van Twisch niet; we hebben haar niet als tweede stap in zijn zaak behandeld.
  • Wat Hayen aanvoerde en wat Robbertsz antwoordde: Robbertsz’ antwoord (Onder verbeteringhe: Een waerschouwinghe der Zeeluyden, voor Albert Haijen dolinghe, 28 bladzijden, met een slotwoord gedateerd 20 maart) kennen we alleen uit een catalogusbeschrijving van 1866. Die noemt één punt: Hayen zei dat Willem Barentsz met de graadboog het tegendeel had gevonden van wat Plancius en Robbertsz hadden geschreven, wat Robbertsz ontkent. Van Twisch komt in de beschrijving niet voor. We lazen geen van beide boekjes.
  • We nemen aan dat de Van Twisch van de woordenboeken en de stuurman uit de stukken van de Staten één man zijn; alle drie verbinden hem met Hoorn.

Hoorn

Beide bronnen verbinden hem met Hoorn. Ongeveer veertig jaar later, in 1637, werd Andreas Cellarius daar rector van de Latijnse school. Geen bron verbindt de twee mannen; de schakel is de stad.

Bronnen

  1. A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden, deel 18 (1874): het lemma over Rienier Pietersz. van Twisch (DBNL) Het lemma noemt Velius’ Kroniek van Hoorn (p. 273), Abbing, Centen en Collot d’Escury. Die hebben we niet gelezen.
  2. Resoluties van de Staten-Generaal en van de Staten van Holland, 1597 tot 1603, in een uitgegeven transcriptie (Stevin-uitgave) We lazen de transcriptie, niet de originele resoluties in het Nationaal Archief.
  3. Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek, deel 2 (1912): het lemma “Twisch, Reynier Pietersz. van” (DBNL) Onze enige bron voor het octrooi van 12 juli 1595 en voor de beschrijving van het instrument. Het lemma noemt Stevins Havenvinding (1599), Twisks Chronijk (Hoorn 1620) en Velius. Die hebben we niet gelezen.
  4. Cd. Busken Huet, Het land van Rembrand, deel 2 (1884), het gedeelte over Steven van der Haghen (DBNL) Onze enige bron voor de vaart op Genua. Busken Huet volgt de eigen gedenkschriften van Van der Haghen, de Avonturen, die we niet lazen; zijn voetnoot verwijst naar De Jonge, Opkomst, I, blz. 176 vv., dat we evenmin lazen.
  5. Simon Stevin, Limeneuretikē, sive Portuum investigandorum ratio, vertaald door Hugo Grotius (Leiden: Raphelengius, 1599), gedrukte bladzijden 18 en 19; Google Books-scan van een exemplaar van de Bayerische Staatsbibliothek (catalogusrecord bij de Deutsche Digitale Bibliothek) We lazen de bladzijden als beeld, en slechts één lezer deed dat; het signatuurnummer in de scan zelf controleerden we niet. De rechtenverklaring van de bibliotheek luidt “geen auteursrecht, alleen niet-commercieel gebruik” en Google vraagt het watermerk te laten staan, dus we geven de tekening niet weer.
  6. Stevins Havenvinding (1599), geannoteerde Nederlandse tekst met citaten, Stevin-site van de ADCS We lazen de daar aangehaalde Nederlandse passages: “hanghende ghemaect op twee verscheyden assen, na de manier der zeecompassen” en “ghewicht … H, van 25. of 30. pont”. De pagina citeert Stevin met weglatingen en voegt eigen commentaar toe; ze steunt op Crone, Principal Works III, dat wij niet gebruiken.
  7. J.K.J. de Jonge, De opkomst van het Nederlandsch gezag in Oost-Indië, deel 1 (’s-Gravenhage 1862), blz. 176–177 (scan van Google Books) We lazen de gedrukte samenvatting van het verzoek van 1597 (“octrooy voor 6 jaren”) en de resolutie van 13 maart 1598, met de voetnoot dat het instrument is afgebeeld in Stevins Havenvinding. We noemen het boek en geven de bladzijden niet weer.
  8. J.K. van der Wulp, Catalogus van de tractaten, pamfletten, enz. in de bibliotheek van Isaac Meulman, deel 1: 1500–1648 (Amsterdam 1866), nr. 913 Een catalogusbeschrijving van Robbertsz’ antwoord aan Hayen; het pamflet zelf zagen we niet.

Bij elke bewering staat het nummer van haar bron. Gelezen op 25 oktober 2026. Wat we in een bron niet konden bevestigen, laten we weg.

Alle stuurlieden en rekenmeesters van Noord-Holland