Ontvangst en kritiek op de Harmonia Macrocosmica
Cellarius’ atlas is nu beroemd, maar in zijn eigen tijd liet hij nauwelijks sporen na. Deze pagina volgt het artikel van Robert van Gent (2000) en de enige bewaarde kritiek, een notitie van Christiaan Huygens die we in de Oeuvres complètes hebben gelezen.
Wat de bronnen zeggen
- In de eerste tien jaar na het verschijnen zijn maar enkele verwijzingen naar de atlas bekend. Van Gent noemt twee redenen: het moet een nogal kostbaar werk zijn geweest, en voor de werkende sterrenkundige bood het weinig nieuws; zonder hulptabellen of rekenvoorbeelden was het ongeschikt om de standen van de hemellichamen uit te rekenen. [1]
- Christiaan Huygens, die kort daarvoor zijn naam had gevestigd met de ontdekking van een maan en een ring van Saturnus, heeft de atlas zeker onder ogen gehad. Onder zijn handschriften in Leiden zit een ongedateerde notitie met aanmerkingen op de platen. [1]
- De notitie is uitgegeven als nr. 946 in deel 3 van Huygens’ Oeuvres complètes (blz. 446–447). De uitgevers plaatsen haar in [1661] en geven haar de kop “Christiaan Huygens à [A. Cellarius]”, met de geadresseerde tussen haken: een vermoeden. Van Gent denkt liever aan een opzet voor een verloren brief aan de uitgever Janssonius of aan Huygens’ vroegere leermeester Henrick Bruno. In de notitie zelf staat geen naam. [1], [2]
- Huygens maakt vijf opmerkingen, in het Nederlands. Eerst: op de Scenographia van het Ptolemeïsche stelsel kan volgens de regels van de perspectief de as van de dierenriem niet gezien worden wanneer de dierenriem in die stand gezien wordt, dus laat hij haar liever weg. Ten tweede: in het Planisphaerium Copernicanum hoort bij Saturnus zijn begeleider, die in 16 dagen om hem loopt, zoals in de prent die hij bijvoegde, even gesneden als een van de omlopers van Jupiter. Ten derde: hetzelfde voor het Planisphaerium Braheum. [2]
- Ten vierde: de Scenographia van het Tychonische stelsel heeft dezelfde fout met de as van de dierenriem, en de figuur wijst niet aan dat in het Tychonische stelsel de zon het middelpunt is van de banen van Mars en de andere buitenplaneten; ze doet dat alleen voor Venus en Mercurius. Ten vijfde: in de drie zuidelijke hemisferen zet hij “Apus Indica” in de plaats van “Apis Indica”. [2]
- Huygens besluit: had Cellarius zijn raad tevoren gevraagd, dan had hij verscheidene andere dingen aangemerkt; omdat Cellarius naar het schijnt nog een tweede deel onder handen heeft, kan hij hem misschien aanwijzen welke figuren hij met meer nut kan uitgeven dan deze. Het tweede deel is nooit verschenen. [2], [1]
- De voetnoot van de uitgevers zegt dat de aangehaalde Scenographiae de platen 2, 4, 5 en 7 zijn. Ze geeft ook gegevens over Cellarius die niet kloppen met Van Gents artikel: omstreeks 1626 in Heidelberg geboren als zoon van Daniel Cellarius, tegenover Van Gents omstreeks 1596 in Neuhausen als zoon van de predikant Andreas Cellarius. [2], [1]
- Van Gent wijst ook aan wat de atlas weglaat. De vier manen van Jupiter die Galilei in 1610 ontdekte, staan alleen op de platen 4, 6 en 7. De andere ontdekkingen van Galilei en Hevelius, die van Huygens zelf en Keplers wijzigingen in het stelsel van Copernicus staan niet op de platen, en hoewel er een plaat is met de schijngestalten van de maan (nr. 19), is er geen die verduisteringen uitlegt. Cellarius zei in zijn inleiding dat hij die in het tweede deel wilde behandelen, dat nooit verscheen. [1]
- Als kaarten tonen de aardvoorstellingen allemaal Californië als een langgerekt eiland (nr. 1, 4–6, 11, 15, 19 en 29). De lengten lopen vanaf een nulmeridiaan door het oostelijke deel van de Azoren, of door het westelijke deel van de Kaapverdische Eilanden, of in enkele gevallen door beide, zodat Amsterdam op bijna 30 graden oosterlengte komt te liggen. [1]
Wat we niet weten
- Of Huygens’ notitie ooit is verstuurd, en aan wie: de notitie zelf heeft geen geadresseerde, en het jaartal [1661] is dat van de uitgevers.
- Wat de rest van Van Gents artikel (blz. 15 tot 25) over de ontvangst zegt: die bladzijden hebben we niet gelezen.
- Hoe Huygens’ plaattitels zich verhouden tot de nummers van de platen: de voetnoot van de uitgevers geeft 2, 4, 5 en 7; dat hebben we niet bij de platen nagelopen.
Bronnen
- R.H. van Gent, “De hemelatlas van Andreas Cellarius: Het meesterwerk van een vergeten Hollandse kosmograaf”, Caert-Thresoor 19 (2000) nr. 1, blz. 9 tot 25 (scan op Van Gents website) De scan heeft geen tekstlaag; we lazen de gedrukte bladzijden 9, 10, 13 en 14 zelf, de rest niet.
- Christiaan Huygens, Oeuvres complètes, deel 3: Correspondance 1660–1661 (Den Haag 1890), nr. 946, blz. 446 tot 447 (DBNL) We lazen de notitie en de voetnoten van de uitgevers in de DBNL-pdf.
Bij elke bewering staat het nummer van haar bron. Gelezen op 26 oktober 2026. Wat we in een bron niet konden bevestigen, laten we weg.